|
Home>Patienten>cochleair
implantaat
COCHLEAIRE IMPLANTATIE BIJ DOVEN EN ZEER ERNSTIG GEHOORGESTOORDEN
Spraakverstaan nu mogelijk ?
Wat is een cochleair implantaat (CI)?
Een CI is een elektronisch hoorapparaat dan het gehoor gedeeltelijk herstelt
bij dove personen, die geen of nog een beperkt restgehoor bezitten. Het
CI wordt heelkundig ingeplant en geactiveerd door een toestel, dat achter
het oor wordt gedragen. In tegenstelling met een klassiek hoortoestel,
versterkt of verduidelijkt een CI het geluid niet.
In de plaats daarvan zet het CI geluid om in elektrische impulsen die
de gehoorzenuw rechtstreeks stimuleren. Het CI overbrugt hierbij buiten-
midden en binnenoor.
Hierdoor kunnen zeer ernstig gehoorgestoorde personen en doven opnieuw
klanken, geluiden en spraak waarnemen.
Gehoortesten
Gehoorverlies wordt uitgedrukt in decibel (dB) verlies en dit voor de
octaaffrequenties tussen 125 Hz en 8000Hz. Dit geeft men weer in een audiogram.
Bij een tonaal audiogram wordt de geluidsterkte bepaald die nodig
is om een geluid net te horen (drempelwaarde). Dit doet men voor de verschillende
frequenties en zo bekomt men het audiogram. Door dit zowel te bepalen
met een hoofdtelefoon (luchtgeleiding) als met een vibrator op het mastoïd
(botgeleiding) bepaalt men het respectieve aandeel geleidingsverlies enerzijds
en perceptieverlies anderzijds.
Wanneer is iemand zeer ernstig gehoorgestoord of doof?
Bij gehoorverlies boven 90 dB is iemand zeer ernstig gehoorgestoord.
Zelfs met een optimaal aangepast conventioneel hoortoestel is de maximale
spraakverstaanbaarheid belangrijk gedaald.
Bij volledige doofheid (> 120 dB) zijn er geen gehoorresten en geluid
wordt enkel gevoeld (dit is vibratiedoofheid).
Verder in deze brochure wordt met doofheid en dove personen zowel de totale
doofheid bedoeld als de personen met een zeer ernstige gehoordaling met
restgehoor.
Welke types van doofheid onderscheidt men?
Het gehoorverlies door een binnenooraantasting of het centraal auditief
systeem, wordt perceptief of sensorineuraal verlies genoemd.
De wijze waarop men de gesproken taal of onderdelen ervan kan verstaan,
wordt getest met spraakaudiometrie. Reeksen van fonetisch gebalanceerde
zinnen, woorden of woorddelen (fonemen) worden op verschillende luidheden
aangeboden. Telkens wordt het percentage van correct herkende taalelementen
genoteerd. Een belangrijk uitkomst is de maximale spraakverstaanbaarheid
(discriminatie) bij optimale luidheid.
Deze testen worden uitgevoerd met of zonder spraakafzien (liplezen). Bij
"gesloten set" onderzoek beschikt de patient over een lijst
van de aangeboden taalelementen (bijvoorbeeld de dagen van de week). Bij
"open set" onderzoek kent de patient vooraf de inhoud niet.
Aanvullend wordt een testbatterij afgenomen die peilt naar de minimale
auditieve capaciteiten (MAC-batterij ), zoals discriminatie, identificatie
en herkenning van woord- en zinsmateriaal.
Hoewel bij doofheid de term "zenuwdoofheid" wordt gebruikt,
zullen het in de meeste gevallen vooral de haarcellen zijn die niet meer
functioneren. Ondanks nog intacte zenuwvezels die het signaal naar de
hersenen kunnen leiden, reageren ze niet meer bij doofheid wegens de beschadigde
haarcellen.
Het gehoorverlies kan tijdens het leven ontstaan op een ogenblik dat
spraak- en taal volledig ontwikkeld is. Dit is een postlinguale doofheid.
Doofheid kan optreden tijdens de geboorte (congenitale doofheid) of tijdens
de eerste levensjaren alvorens spraak en taal ontwikkeld zijn. Dan spreekt
men van een pre- of perilinguale doofheid.
De doofheid kan deel uitmaken van een geheel van afwijkingen. Dit is
dan een syndromale vorm van gehoorverlies. Een voorbeeld is het
Ushersyndroom dat doofheid en blindheid (door retinitis pigmentosa) combineert.
Indien er alleen doofheid is spreekt men van niet syndromale vorm.
Hoe werkt een cochleair implantaat?
Cochleaire implantaten overbruggen de aangetaste haarcellen en zetten
spraak en geluid om in zinvolle elektrische signalen, die de gehoorzenuw
activeren (fig.1).

fig. 1: Schema van een cochleair implantaat (met toestemming van Med-el)
Een aan de oorschelp hangende microfoon vangt het geluid op en
zendt het geluidsignaal naar de spraakprocessor. Deze spraakprocessor
is een kleine computer die het geluidssignaal omzet in een elektronische
en gedigitaliseerde code. De wijze waarop het geluid "vertaald"
wordt, noemt men de spraakstrategie. De spraakprocessor wordt meestal
aan een gordel gedragen. Recent liet miniaturisatie een aantal fabrikanten
toe zowel microfoon als spraakprocessor te verwerken in een achter-het-oor
toestel. De code wordt dan naar een transmittor of zendspoel geleid
met een dun kabeltje. Al deze onderdelen vormen het uitwendig deel van
het cochleair implantaat (fig2).

fig. 2: uitwendig deel
Het inwendig deel of het implantaat (fig. 3) is een neurostimulator.
Het wordt heelkundig onder de huid achter het oor in het rotsbeen geplaatst.
Het implantaat ontvangt de code doorheen de huid via een drager radiogolf.
Zowel de zendspoel, als de ontvangstspoel bevatten een magneet die beide
spoelen over elkaar centreren en de zendspoel tegen de schedelhuid.

fig. 3: implantaat (met toestemming van Med-el)
Het implantaat zet de code om in elektrische pulsen in de verschillende
kanalen met elk een stimulatie-elektrode. De code bepaalt op ieder ogenblik
zowel de keuze van kanaal (en dus de gestimuleerde elektrode) als de frequentie
en de amplitude waarmee de stimulatie geschiedt. Deze kanalen en hun respectievelijke
elektrodes zijn gerangschikt op een elektrode drager (of elektrode-array).
De elektrodedrager werd tijdens de ingreep in de onderste gang (scala
tympani) van de cochlea geschoven. (fig. 4)

fig. 4: electrode-array ter hoogte van de cochlea (met toestemming
van Cochlear)
Via deze verschillende kanalen (multikanaalselectrode) kan de
gehoorzenuw frequentie specifiek gestimuleerd worden, gebruik makend van
de tonotopische verdeling van de cochlea.
De cochlea heeft een tonotopische verdeling. Ieder deel van de
cochlea is verantwoordelijk voor een bepaalde frequentie : de hoge tonen
onderaan (basaal) en de laagste tonen bovenaan (apicaal).
De uiteindelijke afzonderlijke elektrische stroomimpulsen die de zenuwuiteinden
zullen stimuleren kunnen lopen tussen twee elektroden die in de cochlea
gelegen zijn (bipolaire stimulatie), of tussen een aktieve elektrode
in de cochlea en een referentie elektrode (monopolaire stimulatie).
De stimulatiefrequentie (frequentie waarmee het implantantaat impulsen
kan genereren) is afhankelijk van de gebruikte strategie, het aantal kanalen
en het implantaat zelf, en varieert van enkele duizenden Hz tot 18000Hz.
De activering van de zenuwvezel leidt dan, bij intacte centrale auditieve
baan tot zinvolle geluidswaarneming.
Dezelfde transmissielijn kan ook efferent gebruikt worden (feedbacktelemetrie)
om informatie terug te sturen over de toestand van het implantaat, de
elektrodes en recent zelfs de neurale activiteit (neurale responstelemetrie).
Via een aansluiting tussen de spraakprocessor en de PC kunnen deze gegevens
geanalyseerd worden.
Niet alleen de code, maar ook de nodige energie voor het functioneren
van het implantaat wordt via deze spoelen overgebracht. Het implantaat
bevat dan ook geen batterij en moet ook niet regelmatig vervangen worden.
Wie komt in aanmerking voor cochleaire implantatie?
Voorwaarden op gebied van gehoorverlies.
CI zijn bedoeld voor personen met een beiderzijdse doofheid, en die
voor het spraakverstaan geen of onvoldoende baat hebben van een conventioneel
hoortoestel. Bij doofheid door meningitis kan het wenselijk zijn semi
urgent te inplanteren, omdat vroegtijdige verbening van de scalae kan
optreden. Op basis van de internationale ervaring qua resultaten na
CI, werden volgende criteria vooropgesteld (NIH consensus document USA
1995):
- Volwassenen
gehoor slechter dan 80 dBHL
spraakverstaan minder dan 50% op 70dBSPL
- Kinderen
spraakverstaan bereikt geen minimaal niveau
voorwaarde: voorafgaand intensieve revalidatie met klassiek hoorapparaat
Selectieprocedure door het CI-team
Tijdens de selectieprocedure wordt nagegaan of een patiënt een
grote kans maakt baat te hebben bij een cochleaire implantatie. Dit
behelst zowel medische aspecten (bestaat er voldoende neurale reserve
van de gehoorzenuw) als revalidatie-aspecten.
Een selectieprocedure vindt plaats in multidisciplinair verband met
het doel na te gaan of iemand in aanmerking komt voor CI. Dit team bestaat
uit de NKO arts die de ingreep zal uitvoeren, de NKO revalidatiearts,
de audioloog-logopedist, de radioloog, de psycholoog en de maatschappelijk
werker en dit in samenspraak met het team dat de revalidatie na de ingreep
zal verzorgen en mogelijk reeds de revalidatie van de doofheid voor
de selectieprocedure heeft uitgevoerd.
Het onderzoek omvat:
- Medisch onderzoek: medische geschiktheid voor ingreep, levensverwachting
en elementen voor diagnostiek
- NKO-onderzoek: diagnostiek in het bijzonder het bevestigen van het
cochleaire etiologie van de doofheid en het opsporen van otologische
contra-indicaties
- Medische Beeldvorming: deze bestaat uit CT-scan van het rotsbeen
en NMR-scan van cochlea en de auditieve baan. In het bijzonder wordt
nagegaan of een gehoorzenuw aanwezig is (bij congenitale doofheid),
malformaties van het oor en de status van de cochleaire windingen.
Fibreuze omvorming of botvorming (vb labyrinthitis ossificans na meningitis)
kunnen een bijzondere uitdaging peroperatief vormen.
- Audiologisch onderzoek: cfr. gehoortests
- Promontoriumstimulatie (niet noodzakelijk bij kind): een geïsoleerde
naald wordt door het trommelvlies bij het ronde venster op het promontorium
gebracht. Elektrische pulsen worden toegediend om de gehoorzenuw te
stimuleren en de patiënt dient aan te geven of hij deze stimulatie
hoort. Dit levert bijkomende informatie over de neurale reserve. Het
is mede bepalend of het rechter- of het linkeroor dient geïmplanteerd
te worden bij deze beiderzijds dove patiënten.
- Revalidatie bilan: dit gaat de resultaten van de reeds verstrekte
revalidatie na, de resultaten van hoorappareilering en vooral de te
anticiperen bereidheid tot deelname aan de revalidatie. Frequent zal
eerst een aanvullende revalidatie moeten gevolgd worden, alvorens
dit aspect van de selectie definitief te beoordelen.
- Psychologisch bilan: hierbij peilen we naar de verstandelijke vermogens,
de karakteriele kenmerken, en het verwachtingspatroon.
Contra-indicaties en bijzondere indicaties
Contra indicaties:
- algemeen medische naar de narcose toe, of naar levensverwachting
- ernstige verstandelijke handicap of belangrijke contactstoornissen
die het revalidatie proces in het gedrang brengen
- otologische factoren: afwezigheid van gehoorzenuw en pathologie
op de centraal auditieve baan
- geen revalidatie medewerking
Bijzondere indicaties:
- meervoudige handicap zoals bij het Usher syndroom of associatie
met motorische handicap; deze worden niet gezien als contra indicatie.
Een aangepast revalidatiebeleid dient wel voorzien te worden.
- neurofibromatosis type II met bilaterale doofheid door acousticusneurinoom:
klinische onderzoeksprogramma's toonden positieve resultaten met implanting
van de aangepaste elektrodes t.h.v. de nucleus cochlearis in het foramen
van Luschka, de zogenaamde hersenstamimplantaten
- labyrinthitis ossificans: meestal na meningitis kan een verbening
van de scalae van het slakkenhuis optreden; aangepaste heelkundige
technieken en split-compressed array elektroden trachten deze problematiek
te overkomen
- langdurige doofheid: vooral congenitaal dove kinderen zullen minder
baat ondervinden in de CI uitgevoerd wordt op latere leeftijd; moet
vooral een realistisch verwachtingspatroon gecreeerd worden
- niet orale omgeving : na de implantatie dient de orale communicatie
in voldoende mate gehanteerd te worden; het is evenwel geen bezwaar
dat gebarentaal gelijktijdig verder gebruikt wordt. In sommige landen
wordt zelf vereist dat de ouders een goede communicatie met het kind
hebben met gebarentaal opdat het in aanmerking zou komen voor cochleaire
implantatie.
Heelkunde
De heelkunde gebeurt onder algemene ansthesie. Een hospitalisatie van
een vier dagen is te voorzien en een werkonbekwaamheid van drie à
vier weken. De ingreep is weinig of niet pijnlijk. Soms kan tijdelijk
instabiliteit optreden of toenemen.
De heelkundige benadering behelst een retro-auriculaire incisie. Hiervoor
wordt het haar een drie cm boven en een zestal cm achter het oor geschoren.
Een bed voor de stimulator wordt in het temporo- occipitale bot geboord
voor stevige plaatsing. De cochlea wordt benaderd via een mastoidectomie
en een posterieure tympanotomie. Zo kan het ronde venster worden geëxposeerd,
dat de anatomische referentie is voor de basale winding van de cochlea.
De scala tympani wordt voor en onder het ronde venster geopend (cochleostomie).
De electrode-array wordt in deze scala ingeschoven. De cochleostomie wordt
afgesloten , de electrode-array en mogelijk de referentie electrode vastgelegd.
Na het testen van het cochleair implantaat, wordt de wonde gesloten.
Het implantaat functioneert op dat ogenblik nog niet. Dit zal voor het
eerst geschieden bij de eerste afregeling (fitting).
Complicaties komen zelden voor (0.3 tot 8%), maar kunnen toch noodzakelijk
maken dat het implantaat niet meer functioneert of moet verwijderd of
vervangen worden:
- complicaties bij het implantaat: elektrodebreuk, implantaatfalen,
elektrostatische ontlading
- complicaties bij de heelkunde: misplaatsen van de electrodearray,
post-operatieve nervus facialisparese of -paralyse, hematoma, infectie
- laattijdige complicaties: necrose wonde/flap en implant extrusie
Hoe verloopt het revalidatie proces?
Fitting
Na het helen van de wonde en het ontzwellen van de huid zal men, ongeveer
3 à 4 weken na de chirurgische ingreep, overgaan tot de fitting
van de spraakprocessor.
Het doel van de fitting (= afregelen van de spraakprocessor) is het
bepalen van een dynamisch bereik van elektrische stimulatie voor elk
kanaal. Dit dynamisch bereik wordt bepaald door het drempelniveau en
het maximaal comfortabel luidheidsniveau.
Het drempelniveau verwijst naar de kleinste hoeveelheid stroom die een
auditieve sensatie kan veroorzaken.
Het bepalen van deze beide niveaus, het balanceren ervan en de
controle van de correcte tonotopische sensatie zal tijdens de eerste
fittingsessie plaatsvinden. Uiteraard zullen hierna meerdere fijnregelingen
plaatsvinden om het systeem verder te optimaliseren.
Bij het fitten moet men rekening houden met een aantal factoren die
de fitting sterk kunnen beïnvloeden zoals de leeftijd van de patiënt,
pre-of postlinguale doofheid, duur doofheid, ...
Zoals de individuele versterkingskenmerken van ieder kanaal.
Bij kinderen is het fitten van de spraakprocessor een lange en ingewikkelde
taak. Gezien de beperkte auditieve sensaties die het kind reeds gehad
heeft, voor de implantatie, kunnen hun reacties tijdens de fitting minimaal
en heel subtiel zijn. De audioloog die deze fitting verricht zal dan
ook een ruime ervaring moeten hebben in het testen van kinderen. Vaak
zal er ook een samenwerking tussen twee audiologen zijn om alle reacties
van het kind heel duidelijk te kunnen observeren enerzijds en om de
fittingeenheid te manipuleren anderzijds.
Meerdere testmethodes zoals VRA (visual reinforcement audiometry) en
spelaudiometrie (I.C.R. Instrument Conditioned Response) kunnen hierbij
gehanteerd worden.
Revalidatie
Zodra de spraakprocessor afgeregeld is kan men starten met de hoortraining
en de bisensorische communicatie. Bisensorische communicatietraining
is een combinatie van het gebruik van de auditieve input en de visuele
informatie. Hoortraining omvat een totaalpakket aan revalidatie dat
gericht is naar de detectie, discriminatie, identificatie en herkenning
van geluiden, woord- en zinsmateriaal, zowel in stille als in lawaaierige
omgeving.
Bij kinderen en prelinguale dove personen zal het programma veel uitgebreider
zijn en meerdere additionele componenten omvatten zoals stemgeving,
articulatie en taalontwikkeling. Immers bij deze personen gaat het om
een totaal nieuwe ervaring. In het kader van deze revalidatie is een
nauwe samenwerking aanwezig tussen het CI-team en het revalidatieteam
van het type 7 onderwijs.
Bij postlinguale doven bestaat nog steeds de herinnering hoe geluid
waargenomen wordt.
Het is evident dat het revalidatieprogramma bepaald wordt door een aantal
reeds vroeger aangehaalde factoren zoals leeftijd van optreden van de
doofheid, duur van de doofheid, leeftijd, oorzaak van de doofheid,...
Resultaten
Cochleaire implantaten verschaffen nadien geen volledig normaal gehoor.
Het bekomen voordeel verschilt sterk van persoon tot persoon. Na het selectieproces
kan in beperkte mate een prognose gemaakt worden hoeveel het CI zal baat
brengen.
Verschillende factoren zijn hiertoe bepalend :
- het tijdstip van het ontstaan van de doofheid (voor, tijdens of na de
taalperiode);
- de duur van de doofheid;
- leeftijd;
- de hoeveelheid van nog functionele gehoorzenuwvezels;
- de bereikbaarheid van deze vezels;
- de motivatie van de patiënt en zijn omgeving, bij begeleiding na
de implantatie;
- de frequentie en de duur van de revalidatie.
Een groot deel van de postlinguaal geïmplanteerden zal tot spraakverstaan
in open set komen. Dit houdt in dat ze op basis van auditieve informatie
met een normaal horende kunnen communiceren, zeker als men dit combineert
met spraakafzien.
Verder kunnen we stellen dat kinderen die op jonge leeftijd geïmplanteerd
worden (voor de leeftijd van 2 à 3 jaar) een duidelijke progressie
vertonen met betrekking tot het waarnemen, het onderscheiden en het herkennen
van auditief materaal (omgevingsgeluiden, spraak, ...). Hierbij stellen
we ook een duidelijke progressie vast naar stemgeving en articulatie toe.
Spraakverstaan en het begrijpen van gesproken taal ligt binnen de mogelijkheden.
Na een periode van intensieve revalidatie zullen vele kinderen in staat
zijn om een gesprek te volgen en te voeren op basis van horen alleen.
Verder in dit artikel bespreken we de resultaten van twee Europese studies
die representatief zijn voor de te verwachten resultaten; de eerste gegevens
rapporteren over postlinguale doven (Helms et al. 2000) en de tweede (Vermeulen
et al,2000) over de resultaten bij pre- of perilinguale dove kinderen.
Postlinguale doven
De studie van Helms (2000) geeft de resultaten weer van dove patiënten
met een gunstige selectie-evaluatie , dit op 1,3,6,12 en 24 maanden na
CI (Med-el Combi 40+). De patiënt krijgt een gesproken zin unimodaal
auditief op een comfortabele luidheid aangeboden en hij moet deze herhalen.
Hierbij wordt de score van de correct herhaalde woorden weergegeven. Na
1 maand bedraagt de gemiddelde score 59%, na 3 maanden loopt deze gemiddelde
score op tot 76% en na 12 maanden tot 89%. Nagenoeg al deze volwassenen
in deze studie zijn in staat om te telefoneren.
Pre- en perilinguale kinderen.
Congenitale of perilnguale dove kinderen geven beperktere resultaten.
Het Instituut voor Doven te Sint-Michielsgestel volgde de effecten van
CI bij pre- en perilinguaal dove kinderen op m.b.t. de spraak- en taalontwikkeling.
(door middel van de Reynell-test)
Als we kijken naar twee fasen in de doofheid van patiënten die doofgeworden
zijn na meningitis, krijgen we volgende resultaten. Na het ontstaan van
de doofheid blijkt de spraak- en taalontwikkeling gemiddeld niet meer
te evolueren ondanks intensieve revalidatie met een klassiek hoorapparaat.
Na de CI wordt er opnieuw een belangrijke evolutie in spraak- en taalontwikkeling
opgemeten. Dit zowel voor het receptieve (d.i. het begrijpen van taal)
als voor het expressieve (d.i. het uiten van taal) luik.
De auteurs stellen als conclusie dat bij dove kinderen zonder bruikbaar
restgehoor een cochleaire implantatie een efficiënte prothese is
die hen in staat zal stellen om te functioneren als een slechthorend kind
met een gehoorverlies van 70 à 90 dBnHL. Duidelijke progressie
van de expressieve en receptieve taalontwikkeling is te verwachten.
Tenslotte blijkt ook dat (Vermeulen,2000) nagenoeg alle ouders van deze
kinderen melden dat hun kinderen makkelijker zijn geworden in omgang,
er vaker zelf op uittrekken, sneller contacten maken en de communicatie
via gesproken taal verloopt minder moeizaam.
Wat kost een cochleair implantaat?
Momenteel worden in België volgende vier implantaten terugbetaald:
| firmanaam |
implantaat |
| ABC |
Clarion |
| Cochlear |
CI24M |
| Med-El |
Combi 40+ |
| MXM -Digisonic |
DX 10 |
Alvorens het RIZIV overgaat tot de terugbetaling van een cochleair implantaat
dient het CI-team een uitvoerig dossier met de onderzoeksresultaten van
de selectieprocedure in te dienen waarna het College van Geneesheren-Directeurs
zijn goedkeuring dient te verlenen. Een terugbetaling is voorzien van
822.640,-BEF. Na twee jaar bestaat de mogelijkheid om een terugbetaling
aan te vragen voor een nieuw uitwendig deel (258.000,- BEF) en na vijf
jaar voor een nieuw inwendig deel indien de noodzaak hiervan wordt aangetoond.
Besluit
Dankzij technologische innovatie en multidisciplinaire teambenadering
kan cochleaire implantatie in belangrijke mate bijdragen tot het verhogen
van de communicatiemogelijkheden en het verstaan van spraak. We kunnen
stellen dat postlinguaal dove volwassenen tot open set spraakverstaan
kunnen komen, drie tot zes maand na de implantatie. Alzo zijn vele postlinguaal
dove personen, na intensieve multidisciplinaire revalidatie, in staat
te telefoneren.
Uit de resultaten bij pre- en perilinguaal dove kinderen blijkt dat een
doof kind na CI kan functioneren als een ernstig gehoorgestoord kind.
Dit leidt tot een verbeterd ontdovingsproces en het bevordert aanzienlijk
de spraak- en taalontwikkeling.
|