Patiënten
Professionelen
Neusbloeden
CI
BAHA
Tinnitus
Homogreffen
Stem
CAS
Publicaties
Congressen
Certificaten
Steunfonds
HOME

medisch aanbod

GEHOORONDERZOEKEN

  • Tonale audiometrie
  • Spraakaudiometrie
  • Promontoriumstimulatie
  • Tympanometrie
  • Stapediusreflexmetingen
  • Tubomanometrie
  • Oto-akoestische emissies (OAE)
  • Brainstem Evoked Response Audiometry (BERA)
  • Elektrocochleografie (EcoG)
  • Auditory Steady-State Responses (ASSR/SSEP)


Subjectieve testen

Tonale audiometrie
Doelstelling: het bepalen van de gehoordrempels voor de verschillende frequenties.
Stimuli: zuivere tonen met frequenties binnen het bereik van 125 tot 8000 Hz, soms breedbandruis om te maskeren.
Verloop: via de koptelefoon (TDH-39) of de beentriller (B-71) worden de tonen aangeboden. Bij iedere waarneming van een toon, dient de patiënt de hand op te steken of op een knop te drukken. Bij een grote asymmetrie tussen beide oren, zal de patiënt ruis horen aan het contralaterale oor (niet-testoor) om te beletten dat de zuivere toon hier wordt waargenomen. De gevonden lucht- en beengeleidingsdrempels worden op het audiogram (dBHL/Hz)opgetekend.

Spraakaudiometrie
Doelstelling: het in kaart brengen van het spraakverstaan.
Stimuli: monosyllabische woorden (NVA-woordenlijst) of spondeeën (BLU-woordenlijst), eventueel indien er een grote asymmetrie tussen beide oren bestaat ook maskeerruis.
Verloop: de stimuli worden via de koptelefoon of beentriller aangeboden en de patiënt dient deze volledig, of deels (enkele letters) indien ze niet het gehele woord hebben verstaan, te herhalen. Ook hier kan er ruis aan het niet-testoor aangeboden worden. De behaalde percentages worden opgetekend op een 'spraakaudiogram' (% spraakverstaan/dBSPL).

Promontoriumstimulatie
Doelstelling: het functioneren van Nervus VIII nagaan.
Stimuli: elektrische spanning (µA)
Verloop: na het ontvetten en scrubben van de huid achter één oor wordt er daar een elektrode bevestigd. Vervolgens verdooft men het trommelvlies door middel van xylocaine, die ongeveer 15 minuten moet inwerken en daarna geëxpireerd wordt door de NKO-arts. Hierna plaatst de arts een transtympanale naald op het promontorium. Via deze naald wordt de gehoorszenuw rechtstreeks gestimuleerd.
Vervolgens wordt
1. gezocht naar het kleinste voltage waarbij men een geluid 'hoort /voelt'.
2. gezocht naar het voltage waarbij het geluid bijna als pijnlijk eraren wordt.
3. onderzocht of de patiënt een onderscheid kan maken tussen twee stimuli met een verschillende toonhoogte.
4. gezocht naar het kleinste interval tussen meerdere stimuli waarbij de patiënt ze toch nog apart kan waarnemen.
5. gekeken of de zenuw adaptatie vertoont bij het aanbieden van een continue stimuli (1 minuut lang).
De gevonden waardes worden genoteerd en op een grafiek uitgezet.
De perforatie die de naald heeft veroorzaakt groeit na 3 tot 5 dagen volledig dicht.

Objectieve testen

Tympanometrie
Doelstelling: opmeten van de admittantie van het tympano-ossiculair systeem.
Stimuli: druk (van 200 daPa tot -400 daPa) en zuivere tonen.
Verloop: er wordt een koptelefoon op het hoofd gezet en een 3-kanaalsprobe (drukgenerator/drukmeter, microfoon en luidspreker) in de uitwendige gehoorgang geplaatst. Via drukvariaties wordt gezocht naar de positie van het trommelvlies waarbij de akoestische energie optimaal wordt opgenomen. Bij een normale verluchting van het middenoor is de druk gelijk aan de atmosfersiche druk. Het trommelvlies bevindt zich dan in een neutrale positie en vertoont een maximale admittantie. Om drukwijzigingen tijdens de meting te voorkomen dien de patiënt stil te zitten en niet te praten of te slikken. De computer tekent de opname van de geluidsenergie op.

Stapediusreflexmeting
Doelstelling: nagaan of bij het aanbieden van luide tonen de Musculus Stapedius contraheert en de stapes iets uit het ovale venster licht. Dit mechanisme voorkomt beschadiging van het gehoor ten gevolge van luide geluiden.
Stimuli: luide zuivere tonen (tot 115 dBSPL ipsilateraal, 120 dBHL contralateraal).
Verloop: er wordt een koptelefoon op het hoofd gezet en een probe in de uitwendige gehoorgang geplaatst. Luide tonen worden links en rechts aangeboden. De patiënt mag rustig blijven zitten, en best niet slikken of praten. Het apparaat zet de opgemeten resultaten uit in een grafiek en een tabel.

Tubomanometrie
Doelstelling: onderzoeken van de velaire en tubaire functie.
Stimuli: drukken van 30/40/50 mbar.
Verloop: er wordt een band op het hoofd gezet en een probe in de uitwendige gehoorgang geplaatst. Daarna mag de patiënt een klein slokje water nemen (en in de mond houden) en moet hij een probe in de neus plaatsen. Via deze probe wordt er een druk in de neus opgebouwd. Vervolgens moet de patiënt het water doorslikken en deze slikbeweging twee seconden aanhouden. Hierdoor zal de opgebouwde druk via de tuba auditiva naar het middenoor vloeien; de computer gaat via de probe in het oor de gewijzigde druk (door het verplaatsen van het trommelvlies) opmeten.

Oto-akoestische emissies (OAE's)
Doelstelling: registreren van oto-akoestische emissies. De cochlea neemt niet alleen geluid op, maar produceert ook akoestische energie (= emissies) welke op te meten is in de uitwendige gehoorgang indien het gehoorverlies niet groter is dan 30 dBHL. Deze test wordt voornamelijk voor gehoorsscreening bij neonati en kleine kinderen gebruikt.
Stimuli: 260 clicks (alternerende polariteit).
Verloop: na het plaatsen van de probe in de uitwendige gehoorgang worden de clicks aangeboden. De patiënt dient enkel zeer stil te zijn terwijl de computer de uitgezonden emissies registreert.

Brainstem Evoked Response Audiometry (BERA)
Doelstelling: enerzijds kan men een drempelbepaling doen (geeft een schatting van de gehoordrempels voor de frequentierange van 2-4 kHz), anderzijds kan men een 'site-of-lesion'-test doen (: de activiteit van de cochlea en de Nervus Stato-Acousticus tot in de hersenstam wordt geregistreerd en zodoende kan men een letsel anatomisch lokaliseren).
Stimuli: sweep van minimum 2000 clicks (alternerende polariteit) en maskeringsruis aan het contralaterale oor.
Verloop: na het reinigen van de huid op het voorhoofd en achter de oren, worden op die plaatsen elektrodes aangebracht. Daarna mag de patiënt op de onderzoekstafel plaatsnemen en zich volledig ontspannen (zelfs slapen). Vervolgens wordt er een koptelefoon op het hoofd geplaatst en hoort de patiënt clicks en ruis. De stimuli worden door de cochlea en de hoger gelegen hersenstructuren waargenomen waar ze actiepotentialen veroorzaken welke de elektrodes opnemen. De computer zet de opgenomen resultaten om in een grafiek waarop de audioloog nog enkele punten dient aan te aanduiden om de interpretatie mogelijk te maken.

Elektrocochleografie (EcoG)
Doelstelling: onderzoeken van de elektrische activiteit van de cochlea en de Nervus Cochlearis, en het vaststellen van een hydrops labyrinthi (overdruk van de endolymfe) voor de oppuntstelling van de ziekte van Menière.
Stimuli: 250 clicks (alternerend/rarefractie en condensatie) en tone bursts (frequentiebereik van 500-8000 Hz).
Verloop: de huid achter de oren wordt gereinigd, waar elektrodes geplakt worden; hierna mag de patiënt rustig op de onderzoekstafel plaatsnemen. Vervolgens wordt het trommelvlies door middel van xylocaine verdoofd. Dit moet ongeveer 15 minuten inwerken en wordt daarna door de NKO-arts geëxpireerd. Hierna plaatst de NKO-arts een transtympanale naald op het promontorium, welke perfect op zijn plaats blijft zitten door een band die rond het oor wordt geplaatst. Boven op de band komt een koptelefoon te staan. De computer registreert dan via de verschillende elektrodes de elektrische activiteit en zet deze om in een grafiek.
De trommelvliesperforatie groeit na 3 tot 5 dagen volledig dicht.
Verschil met promontoriumstimulatie: bij het EcoG wordt de elektrische activiteit van de cochlea en de Nervus Cochlearis via de naald opgenomen; bij de promontoriumstimulatie wordt er via de naald gestimuleerd.

Auditory Steady-State Responses (ASSR/SSEP)
of ook SSEP: Steady-State Evoked Potentials
of ook AMFR (Amplitude-Modulation Following Response)
Doelstelling: op een objectieve wijze frequentiespecifieke gehoordrempels bepalen bij neonati, baby's & moeilijk te testen personen.
Stimuli: continue testtoon die gemoduleerd wordt met een lagere frequentie.
- draagfrequentie (testfrequentie): 0,5-1-2-4 kHz
- modulatiefrequentie: ± 80 Hz
- intensiteiten tot ± 120 dBHL
· Principe: zoeken naar een component in het EEG die mee varieert met de modulatie van het auditief aangeboden signaal.
1. Er wordt een toon van 1 kHz gemoduleerd met 81 Hz aangeboden.
2. Dit genereert activiteit in de cochlea rond het 1 kHz-gebied van het basilair membraan.
3. In het EEG-signaal kan de 81 Hz component van de stimulus duidelijk teruggevonden worden. Dit markeert de waarneming van de gemoduleerde 1 kHz stimulus.
Verloop:
1. Start op een stimulusintensiteit van 50 dBHL.
2. Conform het al of niet vinden van een respons, wordt de intensiteit verhoogd of verlaagd.
3. Op de laagste intensiteit waar er een duidelijke respons optreedt, wordt de ASSR-drempel gedefinieerd.
4. Gebaseerd op een statistische bewerking en correctiefactoren wordt hieruit een schatting gemaakt van de gehoordrempel en de bijbehorende betrouwbaarheidsintervallen.
5. Herhaal stappen 1 t.e.m. 4 voor 0,5-2-4 kHz.
Voordeel:
1. Frequentiespecifieke betrouwbare info ® direct resultaat: audiogram (daar waar je bij de BERA het raden hebt naar de juiste configuratie van het audiogram).
2. Volledig objectief.
3. Snelle meting (20-30 minuten, zeker indien de patiënt slaapt).
4. Frequentiespecifieke resultaten zijn nodig voor het aanpassen van hoortoestellen bij kinderen.
5. Bij hoge intensiteiten kunnen er vaak nog ASSR-drempels opgemeten worden, daar waar de BERA geen reproduceerbare tracés meer laat zien.

 

Spring naar de top van deze pagina... Afdrukken UZA - Wilrijkstraat 10, 2650 Edegem - tel 03 821 30 00 - fax 03 829 05 20
E-mail versturen